KRAUTFOUNDING

dinsdag 27 januari 2015 - zondag 1 maart 2015

Een tentoonstelling van 4 Duitse kunstenaars in ACEC APELDOORN met als deelnemende kunstenaars: Ulrike Scholder, Elisabeth Schink, Dirk Knickhoff en Christoph Heek

De stad Kleef (in het Duits Kleve) even over de grens, is voor veel Nederlanders verbonden met winkelen en de kerstmarkt. Voor sommige mensen is Kleef ongetwijfeld ook verbonden met een aantal interessante musea – in de stad zelf Museum Kurhaus en het Koekoek-Haus, in de nabijheid van Kleef Slot Moyland – en met de spectaculaire kunstenaar Joseph Beuys. Joseph Beuys woonde in Kleef met zijn ouders. Hij bezocht er het gymnasium en had er later een atelier in wat nu het Museum Kurhaus is. Dat de stad Kleef de later in Düsseldorf woonachtige Beuys niet koud liet, blijkt uit het feit dat hij een van de oude monumenten van de stad Kleef, de zogenaamde Eiserner Mann, gebruikte voor een installatie die te zien was in het Duitse paviljoen tijdens de Biënnale van Venetië in 1976.

Krautfounding

Minder bekend in Nederland is dat Kleef, vanouds een cultureel brandpunt in de streek, dat vandaag de dag nog steeds is. De stad kent een zeer actieve kunstenaarspopulatie en een eveneens zeer actieve kunstenaarsvereniging met een eigen tentoonstellingruimte, de bij het treinstation gelegen Projektraum-Bahnhof 25f.

Kleef heeft op het gebied van hedendaagse beeldende kunst veel te bieden. Om dat te laten zien, nodigde ACEC vier Kleefse kunstenaars uit om hun werk te tonen in Apeldoorn.

De vier kunstenaars – Ulrike Scholder, Elisabeth Schink, Dirk Knickhoff en Christoph Heek – noemden hun tentoonstelling ‘Krautfouding’. Aanvakelijk was het idee om de tentoonstelling ‘Krautfunding’ te noemen, maar omdat dat net iets te veel associaties opriep met geldwerving, werd ‘funding’ veranderd in ‘founding’. En daarmee slaat de titel op een gelegenheidsverbond voor een tentoonstelling over de grens.

Tweezijdigheid

De Grens en het grensverkeer zijn interessante gegevens. De Kleefse kunstenaarsvereniging Projektraum-Bahnhof nodigt naast Duitse kunstenaars al jaren Nederlandse kunstenaars uit om hun werk tentoon te stellen. Omgekeerd zijn kunstenaars uit Kleef en omgeving via hun Nederlandse contacten betrokken bij tentoonstellingen in Nederland. Heeft al dat grensverkeer de verschillen opgeheven, of zijn de Duitse kunstenaars, vanuit Nederlands standpunt gezien, toch anders? Wordt de bezoeker bij het bekijken van de tentoonstelling Krautfounding in het Apeldoornse ACEC deel van een andere atmosfeer of is dat alles slechts een illusie omdat de namen en sommige ondertitels in een andere taal geschreven zijn?

De bezoeker mag zich daar zelf het hoofd over breken. Wat opvalt in het werk van de vier Krautfounders is hun tweezijdigheid. Enerzijds valt het werk van Ulrike Scholder, Elisabeth Schink, Dirk Knickhoff en Christoph Heek op door zijn formele kwaliteit. Ook wie niets van de achtergronden van de werken weet, zal door de visuele kwaliteit van de beelden woorden aangesproken. Die visuele kwaliteit lijkt het resultaat van een gedegen en experimenteel onderzoek van de visuele middelen waarvan de kunstenaars zich bedienen. In het geval van Christoph Heek is dat het tekenen, in het geval van Scholder, Elisabeth Schink, Dirk Knickhoff is dat de fotografie, film en digitale media en de manier waarop die op weer andere dragers kan worden toegepast en zelfs als een beeldhouwkunstig middel kan worden toegepast.

Kleingeld mee

De aandacht voor het formele of visuele gaat bij Ulrike Scholder, Elisabeth Schink, Dirk Knickhoff en Christoph Heek hand in hand met een uitgesproken conceptuele belangstelling die hun werk, net als het formele onderzoek, een richting geeft.

Voor Christoph Heek schuilt die conceptuele belangstelling in de vraag wat tekenen kan zijn op zich, dat wil zeggen het puur en alleen tekenen, zonder af te beelden. Wat zijn de mogelijkheden om niet af te beelden en toch, of liever juist, met behulp van lijnen, vlakken, vlekken en tegen de haren in strijkende onscherpten resonerende beelden op te roepen? Lees meer

Bij Elisabeth Schink richt de conceptuele belangstelling zich op de fundamentele energie die levensprocessen in gang zet, conserveert, beschermt maar ook bedreigt. www.elisabeth-schink.de

Centraal in het werk van Dirk Knickhoff staan waarneming, herinnering en in het verlengde daarvan de mogelijkheden van menselijke uitwisseling, aanpassing en symbiose.

Uitwisseling speelt ten slotte ook een rol in het werk van Ulrike Scholder, maar dan meer betrokken op de huidige digitale wereld en de mogelijkheden en onmogelijkheden van onze toenemende verstrikking in het globale netwerk. Op dat onderwerp afgestemd is Ulrike Scholders interactieve installatie TransferRaum 3. Bezoekers kunnen daar tijdens de opening van de tentoonstelling aan deelnemen, maar moeten voor een gift van de kunstenaar wel een klein muntstuk in ruil geven.
http://projektraum-bahnhof25.de/

Christoph Heek2

Christoph Heek Lees meer

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Elisabeth Schink

Ulrike Scholder de kleinere Mariannes Heimkehr_Ausschnitt-SCHOLDER

Ulrike Scholder

Dirk Knickhoff  1983_Videostill_Knickhoff

Dirk Knickhoff

INTERVIEW MET DE VIER DEELNEMENDE KUNSTENAARS VAN KRAUTFOUNDING
Interviews Peter Nijenhuis

Elisabeth Schink

‘Ik ga vooral gevoelsmatig en intuïtief te werk en niet zozeer vanuit een idee of concept. Ik ben ooit in Egypte geweest. Daar verkochten ze een bepaald soort ijzergaas dat me erg aanstond. Ik heb een rol van dat gaas gekocht en mee terug naar Duitsland genomen. Eerst deed ik er niets mee. Op een dag zat ik in mijn tuin en zag ik een jonge boom die de vorm van een blad had. Voor dat boompje wilde ik een geschikt kledingstuk maken. Het kledingstuk werd een omhulsel van dat Egyptische ijzergaas. Dat beschermde het boompje, maar weer later bedacht ik, dat dit beschermen gelijktijdig een gevangen houden was. Wat mijn intuïtie en mijn gevoel aan het werk zet zijn dit soort polariteiten, tegenstellingen als leven en dood, het ongepolijste en het beschaafde, licht en donker, zichtbaarheid en onzichtbaarheid. Tussen die polen beweegt de levensenergie die ik in mijn werk zichtbaar en voelbaar probeer te maken. In mijn eerdere werk werd de levensenergie gepersonifieerd door het denkbeeldige wezen, Kwiwi, dat zich in mijn installaties verborg in tenten en kasten en alleen door zijn soms onsmakelijke gekreun, gehijg en smakgeluiden waarneembaar was. Sinds 2012 houden bijen me bezig. Voor mij staan bijen voor het leven zelf. Hun sociale aard en het feit dat ze de nectar, die bloemen produceren met behulp van het zonlicht, verwerken tot honing, speelt daarbij een grote rol. Hun bestaan en verschijning lijken op een beeldende manier te staan voor de levensenergie. Niet minder van belang voor mij is dat bijen op dit moment worden getroffen door een ecologisch rampscenario. Pesticiden zijn inmiddels diep binnengedrongen in het ecosysteem en daardoor zijn de normale, van bloemen afkomstige voedingsstoffen voor bijen gif geworden. Bijen raken door pesticiden hun oriëntatievermogen kwijt, kunnen hun korven niet terugvinden en sterven. Mijn belangstelling voor bijen bracht mij er in eerste instantie toe om imkers te bezoeken in Duitsland, Polen en Nederland. Ik heb veel gefotografeerd. Wat me fascineert, is dat als je bijen van dichtbij bekijkt, ze er anders uitzien dan je zou verwachten. Ze zijn bijvoorbeeld heel harig, net beertjes. Hun vormenwereld is weelderig en rijkgeschakeerd. De honigraat is abstract, geometrisch en luchtig van vorm. De bijenkolonie, op het moment waarop de bijen aan het werk zijn en bij elkaar krioelen, biedt daarentegen weer een heel aardse aanblik en vormentaal. De uitvergrotingen van mijn foto-opnames heb ik deels overgeschilderd om bepaalde delen naar voren te halen en weer andere toe te dekken. Ik ben ooit begonnen als schilder. Ik schilder nogal uitgesproken en expressief, maar kreeg na verloop van tijd de neiging om mijn schilderijen deels weer aan het oog te ontrekken of een extra, transparante laag aan te brengen. Ik vermoedde dat niemand het eigenlijk zo fel en naakt wilde zien, zoals ik het schilderde. De neiging om een extra laag aan te brengen, heb ik vervolgens behouden. Het geometrische en luchtige van de vormenwereld van de bijen komt terug in mijn installatie van wat oorspronkelijk kleine wasmandjes waren. Ik vond ze bij toeval in een winkel en heb ze als ready-mades gebruikt. Wat me bevalt, is dat de installatie niet meer is dan een doods omhulsel, totdat het zonlicht erop valt en alles beweeglijk en levendig maakt. Ongepolijste en aardse vormen spelen een hoofdrol in de kleine betonnen boten die gevuld zijn met dode bijen. Boten van beton lijken niet echt geschikt om te varen. Ze zijn met zichzelf in tegenspraak. In tegensprak met zichzelf is ook de afbeelding van een carrousel van betonnen boten. Om rondjes te draaien in de lucht is een betonnen boot ook niet echt geschikt. Carrousels houden me bezig vanaf dat ik nog kind was in Polen. Ik was dol op Carrousels. Wat me boeit is het idee dat je rondvliegt, maar niet echt wegvliegt. Dat zou je soms wel willen. Als dat echter plotseling realiteit zou worden, zou dat tamelijk gevaarlijk zijn. Je ziet, ik zei niet zomaar dat tegenstellingen of polariteiten in mijn werk een belangrijke rol spelen.’

Meer informatie: http://elisabeth-schink.de/

Christoph Heek

‘Ik fotografeer en ik teken. Als ik fotografeer besluit ik voor een bepaalde aanpak. Ik bepaal vooraf wat ik ga doen. De uitkomst van zo’n procedé is ook voor mij een verrassing, maar de weg erheen is in bepaalde opzichten vastgelegd. Wat me motiveert is het vermoeden dat er meer is te zien dan mensen doorgaans zien. Onze zintuigen onze veronderstellingen leiden ertoe dat we de wereld op een bepaalde wijze waarnemen. Onze waarneming is per definitie beperkt en eenzijdig. De procedés die ik volg, zijn een poging om de beperkingen van de waarneming te doorbreken. Ik probeer in beeld te brengen wat we niet zien of wat we zouden kunnen zien als we fysiologisch en mentaal anders zouden zijn toegerust. Met dat doel voor ogen heb ik voor een van mijn fotoreeksen twee scheermessen voor mijn camera gemonteerd, de scherpe zijden tegen elkaar zodat midden voor de kamer van de camera een zeer nauwe spleet ontstaat. Door de minieme spleet tussen de scheermessen dringt weinig licht door en dat licht wordt ook niet gebogen. De beelden lijken qua kleur en vorm sterk vervormd, alsof ze zijn gephotoshopt. De kleurverandering is echter het gevolg van het feit dat de diafilm langer belicht is dan de belichtingstijd waarvoor hij is gemaakt. De foto’s maken in mijn ogen iets zichtbaar van de realiteit die bestaat naast de realiteit zoals wij hem zien en opvatten. In het kader van een andere fotoreeks heb ik de foto’s van industriële gebouwen uit een van de boeken van Bernd en Hilla Becher gereproduceerd en over elkaar afgedrukt. Wat dan verschijnt, is een beeld dat opvallend genoegd de trekken heeft van een menselijke gestalte.
De laatste vier jaar ben ik me meer en meer gaan toeleggen op het tekenen en is het fotograferen minder belangrijk geworden. Als ik teken ben ik heel anders bezig. Ik werk dan niet volgens een vooropgezet procedé. Ik volg maar één regel, als je dat een regel zou willen noemen, en dat is dat ik niet afbeeld. Afbeelden is voor mij niet wezenlijk. Het zit het tekenen in de weg. Iets afbeelden schept een betekenislaag die afleidt van de twee zaken waar het me echt om gaat: het tekenen zelf en de compositie. Ik probeer zo blanco mogelijk te tekenen en probeer al tekenend te achterhalen wat het tekenen als handeling vertelt over het tekenen en de compositie. Tekenen is in eerste instantie plezier, een soort handelend nadenken, maar niet op manier die wetenschappelijk-analytisch is. Het nadenken over de tekeningen komt pas naderhand. De tekening roept altijd vragen op. Hoe kan een enkele streep of vlek in de ene hoek de rest van het lege tekenvlak bespelen en veranderen? Hoe komt het dat in de ene tekening een vorm van linksboven lijkt neer te dalen en in een andere tekening een vergelijkbare vorm in een soort onbegrensd vacuüm lijkt te zweven? Sinds een tijd werk ik met lagen transparante lakverf die ik na het tekenen op een vaste plek op het tekenvlak aanbreng. Die steeds op een vaste hoogte aangebrachte laklaag gaat een ‘discussie’ aan met de tekening eronder, die spontaan en improviserend is ontstaan. Zo’n laklaag voegt bovendien een portie wazigheid toe. Mensen willen klare lijnen en duidelijkheid, maar zo zit het leven niet in elkaar.’

http://www.christoph-heek.com/
Ulrike E.W. Scholder

‘Mijn werk ontstaat uit zaken die mijn pad kruisen en me vervolgens bezig houden. Een van mijn installaties, Entomos, heb ik gemaakt toen ik bekend raakte met het leven en het werk van Maria Sibylla Merian en me daar vervolgens in verdiepte. Maria Sibylla Merian was een Duitse, in 1647 geboren tekenaar en aquarellist met een grote wetenschappelijke belangstelling en kennis. De zeer ondernemende Merian trok van Duitsland naar Nederland en vestigde zich, na een verblijf in Friesland, in Amsterdam. Op tweeënvijftigjarige leeftijd bezocht ze Suriname en bestudeerde en tekende daar planten en insecten Ze deed dat op een vooruitstrevende, wetenschappelijke wijze in een tijd dat insecten, in navolging van Aristoteles, veelal werden beschouwd als uit de modder voortkomend duivelsgebroed. In 1705 publiceerde Maria Sybilla Merian haar boek Metamorphosis insectorum Surinamensium. Het boek was een belangrijke bijdrage aan de entomologie, de insectenkunde, door inzicht te bieden in de metamorfosen en levensfasen van insecten en de planten waarop ze leven. Je zou kunnen zeggen dat ze in weerwil van alle vooroordelen iets zichtbaar maakte van complexiteit en schoonheid van de wereld.
Het zichtbaar maken van complexiteit en van wat we vanwege die complexiteit over het hoofd zien of negeren, is voor mij een belangrijk thema. Het vertrekpunt van mijn werk Mariannnes Heimkehr-M1/1 was een documentaire film van Gert Monheim en Stefan Röttger. De film vertelt over de ‘arisierung’ tijdens het Derde Rijk, de onteigening van de eigendommen van joodse burgers door de nazi’s, de Shoah en de naoorlogse situatie aan de hand van de lotgevallen van drie Joodse inwoners van het dorp Hemmerden. De film maakt duidelijk hoe complex en gelaagd onze geschiedenis in elkaar zit. Sporen, vaak letterlijk en figuurlijk bedolven door tijd en omstandigheden, zijn niet zelden voor eens en altijd uitgewist of in ieder geval niet zonder moeite terug te vinden en terug volgen. Ik heb lange tijd gezocht naar een manier om dit te verbeelden. Ik heb gekozen voor het abstraheren. Je zou kunnen denken dat ik steeds verder van huis ben geraakt, maar voor wie kijkt en het wil zien, is de relatie tussen het beeld en de oorsprong ervan tamelijk duidelijk. Ik heb om het werk te voltooien met een naaimachine sporen en afgebroken sporen getrokken op vellen plasticfolie. Het plasticfolie heb ik direct, dus zonder tussenkomst van een camera, overgebracht op lichtgevoelig materiaal en voorzien van lagen paraffine. Er zit naar mijn gevoel een voor het thema sprekend contrast tussen de vloeiende en soms onderbroken bewegingen van de sporen en de in lagen gegoten paraffine. Paraffine maak je warm en daarna giet je het uit. Eenmaal uitgegoten stolt paraffine vrijwel onmiddellijk en vormt een onbeweeglijke laag waaraan niets meer is te veranderen. Voordat ik in Essen naar de kunstacademie ging was ik boekbinder en boekbinders stellen eisen aan hun materialen en het gebruik daarvan. Dat heb ik ook als ik kunst maak. Een bij de inhoud passend, goed doordacht maakproces en een uitvoering die in technische, ambachtelijke en esthetische opzicht overtuigt, zijn voor mij van wezenlijk belang voor de zeggingskracht van het werk. Een adequate vorm en daarbij passende middelen kunnen voor mij ook digitaal zijn, zoals in mijn project Transferraum, dat zich bezighoudt met de sporen die mensen bewust, maar vaker nog zonder dat te beseffen, via het gebruik van internet achterlaten.’

Meer informatie: http://www.bh25.de/90101/33580.html

Dirk D. Knickhoff

‘Een deel van mijn werk spitst zich toe op zogenaamde ‘tussenbeelden’. Mensen kijken niet blanco naar hun omgeving. Wat ik nu zie, lijkt te worden beïnvloed door wat ik zojuist heb gezien en wat ik zag in het verleden. Op zijn beurt heeft wat ik nu zie invloed op wat ik ga zien. Kijken is gecompliceerd en stelt ons voor verrassingen. Herinnerde en min of meer verse beelden werken op elkaar in en overlappen elkaar. Iets zien kan beelden wakker roepen waarvan je dacht dat je ze allang was vergeten. Dat laatste roept dan weer de vraag op, wat je, van wat in de herinnering is weggezonken, nog wakker kunt roepen. Er spelen in mijn hoofd beelden die ik niet zou kunnen beschrijven, maar die niettemin gevoelsmatig sterk aanwezig zijn en me fascineren. Hoe kom ik dichter bij deze en andere ‘tussenbeelden’, hoe schud ik ze wakker en roep ik ze te voorschijn?
In de reeks werken waarin tussenbeelden de hoofdrol spelen, maak ik gebruik van de camera, of beter gezegd van verschillende camera’s en fototechnieken. Sommige van de tussenbeeld-werken zijn tot stand gekomen door op verschillende wijze de principes van de camera obscura te gebruiken. Ik ben weliswaar in Duitsland geboren, maar door het werk van mijn vader speelde een deel van mijn jeugd zich af aan de Nederlandse kust in Zeeland. Om terug te keren naar mijn jeugd en de beelden van mijn jeugd, heb ik aan de Zeeuwse kust foto’s gemaakt met een speciaal geprepareerde camera obscura. De camera had niet één opening, maar zeven, evenveel als de openingen van de oren, ogen, de neusgaten en de mond in een mensenhoofd. Voor mij minstens zo betekend als mijn herinneringen aan Zeeland, zijn mijn herinneringen aan de Märchenberg in Elten. Vroeger had je overal in Duitsland Sprookjesparken, zoiets als de Efteling in Nederland, maar dan kleiner. Een ervan lag in Elten. Als kind ging ik er met mijn ouders heen. Zoals zoveel andere sprookjesparken is de Märchenberg inmiddels gesloten en verdwenen. De afgelopen jaren ben ik er meer dan eens langs gereden en iedere keer dacht ik: ‘daar moet ik nog eens heen, want wat is er van de vroegere wereld overgebleven?’ Uiteindelijk heb ik dat ook daadwerkelijk gedaan. Ik heb het verlaten terrein in eerste instantie proberen vast te leggen door opnames te maken met een camera obscura. Dat liep op niets uit en vervolgens besloot ik om het terrein ’s nachts te bezoeken en te fotograferen met een digitale camera. De digitale opnames heb ik vervolgens met een computerprogramma geanalyseerd op kleur. Het resultaat van die analyse zijn op kleur gesorteerde beelden die bestaan uit reeksen verticale strepen. De beelden heb ik via pigmentdruk overgebracht op photo rag, een bijzonder soort papier. De prints lijken te bewegen als je er langs loopt en de hoek van je blik verandert. Dat is een optische illusie, maar voor mij roepen de prints toch iets op van wat geweest is. Ik ben niet zo naïef om te denken dat ik door mijn werk iets volledig kan reconstrueren. Wat geweest is, is geweest en voorbij. Wat ik onderneem is in zekere zin bij voorbaat tevergeefs. Maar het zoeken naar tussenbeelden kun je zien als een soort reizen en van reizen is al meer dan eens gezegd dat niet het doel, de bestemming, het belangrijkste is, maar het reizen en het onderweg zijn. De middelen die ik gebruik om te ‘reizen’ zijn niet altijd digitaal en zeker niet technisch ingewikkeld. Sommige werken ontstonden door tijdens het volgen van een bepaald traject met een analoge camera foto te nemen en de film gedeeltelijk terug te draaien, waardoor overlappingen ontstonden. Andere werken ontstonden door een reis van bijvoorbeeld Kleef naar ’s Heerenberg te maken en de reistijd in te stellen als belichtingstijd. Weer ander werk ontstond door lichtgevoelig papier als envelop te gebruiken en via de post te verzenden.’

Meer informatie: http://www.bh25.de/90101/33568.html